Auteur: jacob@litecert.com

DC in openbare verlichtingstoestellen: minder ingrijpend dan gedacht.

Tijdens het symposium DC-OVL versnellen op 10 februari 2026 heb ik de handreiking “DC-openbare verlichting voor gemeenten” gepresenteerd.

De handreiking is geen norm en introduceert geen nieuw veiligheidsregime. De functionele eisen aan openbare verlichting blijven ongewijzigd: lichttechniek, levensduur, mechanische robuustheid en energieprestatie blijven leidend.

Voor fabrikanten van openbare verlichting is de relevante vraag daarom niet of DC een nieuw producttype vraagt, maar waar de feitelijke technische aandachtspunten liggen.

Wanneer de analyse wordt teruggebracht tot de kern, blijft een beperkt aantal onderwerpen over.

Netspanning en spanningsbereik

In de handreiking wordt uitgegaan van een principiële netspanning van 350 Vdc. Dat is het normatieve uitgangspunt van het netconcept.

Zoals bij een 230 Vac-net een toegestane variatie rond de nominale spanning geldt, ontstaat ook bij een DC-net een bandbreedte. Die variatie is geen willekeur, maar het gevolg van ontwerpkeuzes in de voeding, spanningsregeling, kabellengtes en belasting.

Het in de handreiking genoemde bereik van 310–380 Vdc is geen alternatieve netdefinitie, maar het spanningsgebied waarvoor driver en armatuur geschikt moeten zijn. Dit bereik is zó gekozen dat zowel de tolerantie van het 350 Vdc-net als de spanningsmarges die binnen de geldende product- en veiligheidsnormen worden gehanteerd, worden afgedekt.

De product- en veiligheidsnormen voor armaturen zijn historisch ontwikkeld vanuit AC-netten, inclusief de daarbij behorende spanningsbanden rond een nominale netspanning. Wanneer een armatuur aantoonbaar geschikt is voor 310–380 Vdc, functioneert het daarmee binnen het spanningsgebied waarop deze normen zijn gebaseerd, en wordt tegelijkertijd de variatie van het 350 Vdc-net volledig meegenomen.

Daarmee ontstaat geen nieuw normatief kader. Wat nodig is, is een expliciete technische beoordeling of het ontwerp en de validatie van het armatuur ook onder deze DC-condities volledig zijn afgedekt.

Ingangsgedrag en driverarchitectuur

Het toepassen van DC betekent niet automatisch dat de interne opbouw van het armatuur fundamenteel anders wordt.

Moderne led-drivers zijn in veel gevallen al gebaseerd op een gelijkspanningsarchitectuur achter de netzijde. De vraag verschuift daarom niet naar de led-techniek zelf, maar naar de wijze waarop de ingangstrap is ontworpen en gevalideerd.

Concreet betekent dit dat moet worden vastgesteld of:

  • de ingang geschikt is voor continu bedrijf bij 350 Vdc inclusief netvariatie;
  • het thermisch gedrag onder deze bedrijfscondities is beoordeeld;
  • de spannings- en componentdimensionering daarop is afgestemd.

Ook hier geldt: dit is geen technologiebreuk, maar een verificatievraagstuk. De veiligheidsnormen blijven van toepassing, mits het spanningsbereik in de beoordeling is meegenomen.

Inschakelgedrag en systeeminteractie

Bij het inschakelen van verlichtingstoestellen treden zowel bij AC- als bij DC-voeding tijdelijke piekstromen op. Dat is geen nieuw verschijnsel en ook geen specifiek DC-probleem.

Wat wel essentieel is, is de afstemming tussen het armatuur en het voedingssysteem. Het inschakelgedrag moet worden beoordeeld in relatie tot netimpedantie, beveiligingskarakteristiek en het gelijktijdig inschakelen van meerdere armaturen.

In een DC-net, waarin centrale voedingseenheden en verdeelkasten actief zijn ontworpen als onderdeel van het systeem, wordt deze onderlinge afhankelijkheid zichtbaar. De dimensionering van de voeding, de selectiviteit van de beveiliging en het groepsgedrag van armaturen zijn dan direct met elkaar verbonden.

Dat vraagt om transparantie. De kastfabrikant moet inzicht hebben in het werkelijke inschakelgedrag van het armatuur, en de armatuurleverancier moet reproduceerbare gegevens kunnen verstrekken. Alleen dan kan systeemselectiviteit betrouwbaar worden beoordeeld.

Ook dit is geen nieuw technisch vraagstuk, maar wel een aspect dat – net als bij AC-netten – aandacht verdient binnen een DC-netconcept.

Wat betekent dit voor fabrikanten?

Wanneer de technische analyse wordt teruggebracht tot de kern, blijven drie aandachtspunten over:

  • aantoonbare geschiktheid voor het DC-spanningsbereik,
  • expliciete EMC-onderbouwing onder DC-voeding,
  • transparantie over inschakelgedrag en systeeminteractie.

Dat is overzichtelijk.

DC vraagt geen radicale herziening van het productconcept.

Maar het vraagt wel om expliciete verificatie.

In de praktijk blijkt dat twijfel vaak niet zit in het ontwerp zelf, maar in de vraag of de onderbouwing volledig en consistent is. In die situaties kan een onafhankelijke technische second opinion helpen om vast te stellen of de gekozen uitgangspunten en validaties daadwerkelijk het volledige DC-netconcept afdekken.

Alles aangeleverd en toch afgewezen

Over aantoonbaarheid en samenhang in technische onderbouwing bij aanbestedingen

In een aanbesteding wordt een inschrijving beoordeeld op wat aantoonbaar is vastgelegd. Niet op wat aannemelijk is. Niet op wat bedoeld wordt.

Dat lijkt vanzelfsprekend. Toch blijkt in de praktijk dat inschrijvingen regelmatig vastlopen, terwijl alle benodigde documentatie aanwezig is. Certificaten, rapporten etc zijn aangeleverd en toch wordt de inschrijving afgewezen.

Twijfel ontstaat zelden doordat er iets ontbreekt. Ze ontstaat doordat niet kan worden aangetoond hoe de aangeleverde documentatie zich verhoudt tot het aangeboden product.

Praktijksituatie

In een recente aanbesteding werd een inschrijving ingediend in de overtuiging dat de technische onderbouwing volledig en correct was.

  • Er lagen certificaten.
  • Er waren testrapporten beschikbaar.
  • Er was een energielabel opgesteld.

Vanuit de inschrijver was er geen reden om te veronderstellen dat de documentatie tekort zou schieten. De inschrijving werd ingediend. Pas tijdens de beoordeling ontstond het probleem. Niet omdat er documenten ontbraken, maar omdat niet kon worden vastgesteld hoe deze documenten zich verhielden tot het aangeboden product.

De vragen die toen naar voren kwamen, waren fundamenteel:

  • Welk product is hier exact beoordeeld?
  • Heeft dit rapport betrekking op deze uitvoering?
  • Op basis waarvan is deze classificatie vastgesteld?

De beoordeling verschoof daarmee van aanwezigheid naar aantoonbaarheid. En op dat punt liep de inschrijving vast.

Waarom dit probleem niet eerder zichtbaar wordt

Binnen de eigen organisatie functioneert deze vorm van documentatie vaak zonder directe problemen. Dat is verklaarbaar. De betrokkenen kennen het product, de gemaakte keuzes en de context waarin documenten tot stand zijn gekomen. Onvolledigheden of onnauwkeurigheden worden gecorrigeerd met die kennis.

In een aanbesteding werkt dat anders. De beoordelende partij beschikt niet over deze context. De beoordeling is gebaseerd op wat is ingediend en uitsluitend daarop. Dat betekent dat de technische onderbouwing zelfstandig moet kunnen aantonen:

  • welk product wordt aangeboden
  • aan welke eisen dat product moet voldoen
  • en hoe is vastgesteld dat daaraan wordt voldaan

Wanneer die samenhang niet expliciet is vastgelegd, verdwijnt de impliciete kennis uit beeld en blijft een verzameling documenten over zonder sluitende relatie.

Analyse van het probleem

De neiging is om dit te interpreteren als een gebrek aan documentatie. De reflex is dan om aanvullende rapporten te verzamelen of ontbrekende verklaringen toe te voegen. In de context van een aanbesteding is dat zelden een effectieve oplossing.

Na indiening ligt de inhoud van de inschrijving in vast. Aanpassingen zijn zeer beperkt mogelijk en moeten passen binnen de aanbestedingsregels. Structurele verbeteringen in de onderbouwing zijn dan nog nauwelijks mogelijk. Het probleem zit daarom niet alleen in wat ontbreekt, maar breder in de kwaliteit van de technische onderbouwing.

In de praktijk gaat het zelden om één enkel gebrek. Vaker is sprake van een combinatie van tekortkomingen: een document ontbreekt, een verklaring is niet juist opgesteld, een rapport is niet volledig, of een certificaat is niet herleidbaar tot het aangeboden product.

Juist die combinatie maakt een inschrijving kwetsbaar.

De beoordelende partij stelt niet vast of een product wel of niet voldoet op basis van aannames of aanvullende toelichting. De beoordeling is gebaseerd op wat aantoonbaar is vastgelegd in de inschrijving. Wanneer die onderbouwing niet volledig, niet juist of niet herleidbaar is, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan de eisen wordt voldaan.

Daarmee verschuift het probleem naar bewijskracht van het dossier.

Dus niet de vraag of er documenten zijn, maar of de aangeleverde onderbouwing volledig, juist en herleidbaar is, wordt dan beslissend.

Waar het in de praktijk misgaat

In veel trajecten ontstaat documentatie deels parallel aan de productontwikkeling en deels achteraf, door beschikbare informatie te verzamelen. Daarmee verschuift de logica ongemerkt. In plaats van dat documentatie volgt uit het product, wordt geprobeerd het product te onderbouwen met beschikbare documentatie. Zolang die twee voldoende overlappen, blijft dat onopgemerkt.

Op het moment dat de overlap niet exact is, bijvoorbeeld door varianten, aangepaste configuraties of specifieke eisen in een aanbesteding, ontstaat een gat. Dat gat is niet zichtbaar zolang niemand het expliciet hoeft te maken.

In een aanbesteding is dat precies wat er gebeurt.

Consequenties in de beoordeling

Wanneer de samenhang ontbreekt, heeft dat directe gevolgen voor de inschrijving. Er ontstaan aanvullende vragen. De onderbouwing wordt als onvoldoende beoordeeld. De kans op afwijzing neemt toe.

In een aanbesteding betekent dat een reële kans op verlies van een opdracht.

Belangrijk is dat deze gevolgen niet voortkomen uit een gebrek aan inzet, maar uit het ontbreken van een structurele opbouw van de technische onderbouwing.

De structurele oorzaak

De kern van het probleem ligt in de manier waarop het proces is ingericht. In de praktijk verloopt dit proces vaak als volgt.

Op basis van het bestek wordt beoordeeld of het gevraagde geleverd kan worden. Dat product wordt geconfigureerd zodat het aansluit op de eisen uit de aanbesteding. Tot dat moment is het proces goed onder controle.

Technische onderbouwing in aanbestedingen

Het samenstellen van de technische onderbouwing verloopt anders.

De benodigde documentatie wordt verzameld:

  • bestaande certificaten
  • beschikbare testrapporten
  • productinformatie en classificaties

Deze documenten worden samengevoegd en ingediend als onderbouwing van de inschrijving. Wat in dit proces vaak ontbreekt, is een expliciete stap waarin wordt vastgesteld of deze documentatie daadwerkelijk klopt voor de aangeboden configuratie. Daar zit de missende stap.

Er wordt onvoldoende beoordeeld of:

  • de documenten volledig zijn ten opzichte van de gestelde eisen
  • de inhoud van de documenten overeenkomt met de aangeboden uitvoering
  • en de relatie tussen documentatie en product aantoonbaar is

Een certificaat kan bijvoorbeeld verwijzen naar een andere typeaanduiding. Een rapport kan gebaseerd zijn op een afwijkende configuratie. Een verklaring kan formeel aanwezig zijn, maar inhoudelijk niet passend. Zonder verificatie vooraf worden dit soort afwijkingen niet herkend.

Het dossier lijkt daarmee op orde, maar is dat feitelijk niet.

Pas tijdens de beoordeling wordt zichtbaar dat de onderbouwing niet sluitend is, omdat de samenhang niet aantoonbaar kan worden gemaakt.

Conclusie

Een inschrijving wordt zelden afgewezen omdat er geen documentatie is. Het probleem is dat vóór indiening niet voldoende is vastgesteld of die documentatie inhoudelijk klopt voor het aangeboden product. In de beoordeling wordt uitsluitend gekeken naar wat is ingediend. Op dat moment is er nauwelijks ruimte om nog te corrigeren.

De controle moet dus vóór indiening dat is essentieel. Daar ligt mede het verschil tussen het winnen of verliezen van een inschrijving.

Reflectie

In de praktijk blijft dit type probleem vaak verborgen tot het moment dat de onderbouwing extern wordt getoetst.

Juist daarom is het waardevol om vooraf kritisch te kijken naar de samenhang en aantoonbaarheid van de technische onderbouwing, in plaats van deze pas tijdens de beoordeling te moeten verdedigen.

Corrosiviteitsklasse C4/C5 specificeren: een eis die klopt… en toch niets zegt, een ogenschijnlijk duidelijke eis

In een PvE voor een aluminium straatverlichtingsarmatuur staat een ogenschijnlijk keurige eis:

“Het product moet voldoen aan corrosiviteitsklasse C4/C5 volgens ISO 9223.”

Er is weinig reden om daar vraagtekens bij te zetten. De norm klopt, de toepassing klopt en corrosie is een relevant aspect. Op papier is dit precies het soort formulering dat je verwacht in een technisch bestek. Het probleem ontstaat als deze eis onderbouwd en beoordeeld moet worden. Niet als formulering, maar als relatie tussen eis en bewijs.

Wat deze eis vastlegt

Wat deze eis feitelijk vastlegt, is uitsluitend de omgeving. C4 of C5 zegt iets over de mate van corrosieve belasting: industriële atmosfeer, kustgebieden, zout, vervuiling. Dat kader is duidelijk. Maar het blijft daarbij.

De eis zegt niets over welk beschermingsniveau verwacht wordt. Niet welke degradatie acceptabel is, niet binnen welke termijn dat beoordeeld moet worden en niet welke testbelasting daarbij hoort. Die stap ontbreekt.

Waarom ISO 9223 zonder ISO 12944 geen volledig toetsingskader geeft

Zodra een leverancier moet aantonen dat aan deze eis wordt voldaan, ontstaat er een probleem dat in de specificatie zelf niet zichtbaar is. De norm ISO 9223 geeft geen direct toetsingskader voor prestaties. Daarvoor is een aanvullende keuze nodig.

Het ontbrekende stuk: onderhoudsinterval en beschermingsprestatie

De ene leverancier onderbouwt de corrosiebestendigheid op basis van een relatief beperkte testduur. De ander kiest een zwaarder regime met een langere testbelasting. Dat verschil komt niet uit de lucht vallen.

Het hangt direct samen met de periode waarover de bescherming geacht wordt stand te houden voordat onderhoud, herstel of vervanging nodig is. Dat is geen absolute levensduur van het product, maar een verwacht onderhoudsinterval van de beschermende afwerking.

En juist dat interval wordt in deze eis nergens vastgelegd.

Hoe ISO 12944 de ontbrekende koppeling legt tussen omgeving en prestatie

Hier zit de ontbrekende schakel:

  • ISO 9223 beschrijft de omgeving.
  • ISO 12944 legt de relatie tussen die omgeving en de vereiste beschermingsprestatie over een bepaalde periode.

Zonder die koppeling blijft open welke testduur passend is, welke degradatie acceptabel is en wanneer de bescherming als onvoldoende wordt beschouwd. Daarmee blijft ook open wat er precies aangetoond moet worden.

Wat er gebeurt tijdens de beoordeling

Op dat moment verschuift de beoordeling. De aanbestedende dienst beoordeelt niet langer of aan één eenduidige eis wordt voldaan, maar moet verschillende onderbouwingen interpreteren die gebaseerd zijn op verschillende uitgangspunten.

Niet omdat dat zo bedoeld is, maar omdat de eis die uitgangspunten niet vastlegt.

Aanbiedingen zijn daardoor niet direct vergelijkbaar, terwijl ze formeel allemaal naar dezelfde eis verwijzen.

Waarom deze eis niet leidt tot aantoonbare compliance

Binnen het Compliance Alignment Model wordt dit pijnlijk zichtbaar. De eis sluit nog wel aan op het product, maar niet meer op het bewijs. En zodra die aansluiting ontbreekt, verdwijnt ook de mogelijkheid om te beoordelen of het bewijs het product daadwerkelijk dekt.

Dat is het moment waarop een eis ophoudt te functioneren. Niet omdat hij fout is geformuleerd, maar omdat hij iets essentieels niet vastlegt.

Conclusie: een kleine omissie met grote gevolgen

De formulering “C4/C5 volgens ISO 9223” is technisch correct, maar legt niet vast welke beschermingsprestatie verwacht wordt. Daardoor ontstaat ruimte in de onderbouwing. En zodra die ruimte er is, ontstaat variatie.

Zolang niet helder is gemaakt welke prestatie over welke periode moet worden aangetoond, blijft elke onderbouwing verdedigbaar. En precies dat maakt het onmogelijk om nog objectief vast te stellen of aan de eis wordt voldaan.

Hoe dan wel?

De oplossing zit niet in een andere norm, maar in het duidelijk maken maken van wat nu onduidelijk is. Zodra de eis wordt aangevuld met de beoogde beschermingsprestatie over een bepaalde periode, verdwijnt de interpretatieruimte. Een specificatie wordt dan bijvoorbeeld:

“Het coatingsysteem moet geschikt zijn voor corrosiviteitsklasse C5 volgens ISO 9223, met een hoge duurzaamheidsklasse (H) conform ISO 12944.”

Het verschil zit niet in de formulering, maar in wat er wordt vastgelegd. Niet alleen de omgeving, maar ook de prestatie over tijd.

Op dat moment ontstaat een eenduidige basis voor onderbouwing. Leveranciers werken met dezelfde uitgangspunten, testregimes worden vergelijkbaar en de beoordeling verschuift terug naar waar die hoort: vaststellen of aan de eis wordt voldaan.

De eis gaat daarmee niet meer over interpretatie, maar over aantoonbaarheid.

Hoe corrosiebestendigheid aantoonbaar wordt onderbouwd

Op dat moment ontstaat pas een zinvolle vraag naar bewijs. Niet meer of er een rapport is, maar of het rapport past bij de gevraagde prestatie. De onderbouwing zal in de praktijk bestaan uit beproevingen van het coatingsysteem, bijvoorbeeld via versnelde corrosietesten zoals zoutnevel- of cyclische testen, aangevuld met systeemopbouw en laagdiktes.

Het cruciale verschil is dat die testresultaten nu niet op zichzelf staan, maar moeten aansluiten op de gevraagde duurzaamheidsklasse en periode. Een testrapport van 240 uur zegt dan niet meer “voldoet”, maar wordt beoordeeld in relatie tot de eis:

  • Is deze testduur representatief voor de gevraagde beschermingsperiode?
  • Sluit de systeemopbouw aan op de gekozen klasse?
  • Is de onderbouwing consistent met ISO 12944?

Daarmee verschuift het bewijs van aanwezigheid naar relevantie.

Wanneer spreek je werkelijk van een geaccrediteerd certificaat? Over certificatie, accreditatie en autorisatie

In technische dossiers, offertes en programma’s van eisen duikt de term “geaccrediteerd certificaat” regelmatig op. Vaak als synoniem voor betrouwbaar of officieel. Dat is begrijpelijk, maar niet correct. Certificatie, accreditatie en autorisatie verwijzen naar verschillende vormen van formele bevoegdheid, met verschillende gevolgen voor bewijskracht en acceptatie. Wie die begrippen door elkaar gebruikt, kan onbedoeld certificaten uitsluiten, verkeerde zekerheid suggereren of een eis formuleren die later niet controleerbaar blijkt.

Certificatie: het formeel afgeven van een verklaring

Certificatie betekent dat een onafhankelijke partij verklaart dat een product, proces of systeem voldoet aan vooraf vastgelegde eisen.

Bij productcertificatie gebeurt dat op basis van normatieve eisen en een vastgesteld beoordelingsproces.

De onderbouwing van certificatie kan bestaan uit:

  • testrapporten
  • dossierbeoordeling
  • fabrieksinspecties
  • of een combinatie daarvan

Het certificaat zelf is het formele eindresultaat van dat proces.

Daarmee verschilt certificatie wezenlijk van testen.

Een testrapport beschrijft meetresultaten of beproevingen.

Een certificaat verbindt daar een formele conclusie aan binnen een vastgesteld systeem.

Niet iedere organisatie die testresultaten beoordeelt, is automatisch bevoegd om certificaten af te geven.

Daarvoor geldt een apart formeel kader.

Accreditatie: wat betekent geaccrediteerd formeel?

Accreditatie betekent dat een onafhankelijke nationale instantie bevestigt dat een laboratorium of certificatie-instelling werkt volgens internationaal vastgelegde normen.

Voor laboratoria gebeurt dat meestal op basis van ISO/IEC 17025.

Voor certificatie-instellingen op basis van ISO/IEC 17065.

In Nederland gebeurt dat via de Raad voor Accreditatie.

Accreditatie zegt niet dat een organisatie overal bevoegd voor is.

De erkenning geldt uitsluitend binnen een expliciet omschreven scope.

Dat betekent:

  • alleen activiteiten die binnen de scope zijn opgenomen vallen onder accreditatie
  • buiten die scope mag geen accreditatiestatus worden geclaimd
  • één organisatie kan dus zowel geaccrediteerde als niet-geaccrediteerde activiteiten uitvoeren

Juist dit onderscheid wordt in de praktijk regelmatig onvoldoende expliciet gemaakt.

Autorisatie: toelating binnen een specifiek certificatiesysteem

Autorisatie betekent dat een organisatie toestemming heeft gekregen om binnen een specifiek certificatiesysteem certificaten af te geven of beoordelingen uit te voeren.

Die toestemming komt niet van een nationale accreditatie-instantie, maar van de beheerder van het betreffende schema.

Autorisatie is daarmee systeemgebonden.

Een organisatie voldoet aan de regels van dat certificatiesysteem en mag binnen dat kader formeel opereren.

Dat betekent echter niet automatisch dat iedere activiteit onder nationale accreditatie valt.

Autorisatie en accreditatie zijn dus geen synoniemen.

Wel kunnen zij naast elkaar bestaan.

ENEC als praktijkvoorbeeld

ENEC is een Europees certificatiesysteem voor elektrotechnische producten.

Binnen dit systeem mogen alleen geautoriseerde instellingen ENEC-certificaten afgeven.

Daarvoor is formele toelating binnen het ENEC-systeem vereist.

Niet elk ENEC-certificaat wordt echter onder nationale accreditatie afgegeven.

Dat verschil is wezenlijk.

Binnen Europa zijn slechts beperkte aantallen certificatie-instellingen bevoegd om ENEC-certificaten daadwerkelijk onder accreditatie uit te geven.

Daarnaast zijn er instellingen die volledig correct binnen het ENEC-systeem opereren via autorisatie, zonder dat het certificaat formeel onder accreditatie valt.

Binnen het ENEC-systeem kan autorisatie dus formeel voldoende zijn.

Dat betekent dat een ENEC-certificaat juridisch geldig kan zijn, ook wanneer accreditatie ontbreekt.

Waarom begrippen hier vaak verkeerd worden gebruikt

In technische communicatie wordt regelmatig gesproken over:

  • geaccrediteerd certificaat
  • accredited ENEC approval
  • officieel gecertificeerd

Die formuleringen lijken vanzelfsprekend, maar zijn alleen juist wanneer de formele status exact overeenkomt met de gebruikte term.

Wanneer accreditatie ontbreekt, mag die status niet zonder meer worden gesuggereerd.

Dat is niet alleen terminologisch relevant.

Het bepaalt ook hoe een certificaat juridisch wordt gelezen.

ENEC in aanbestedingen: wat betekent geaccrediteerd in een PvE?

Juist in aanbestedingen wordt zichtbaar hoe belangrijk correcte terminologie is.

Een veelvoorkomende formulering luidt:

“Voor het aangeboden product moet een geaccrediteerd ENEC-certificaat worden aangeleverd.”

Dat lijkt helder.

Toch roept deze formulering direct een relevante vraag op.

Binnen het ENEC-systeem zijn immers veel certificatie-instellingen formeel geautoriseerd, maar niet allemaal bevoegd om ENEC-certificaten onder nationale accreditatie af te geven.

De gekozen formulering bepaalt daarmee direct welke certificaten worden toegelaten.

En dus ook welke marktpartijen feitelijk kunnen inschrijven.

Situatie 1: het certificaat komt van een geautoriseerde instelling

Wanneer een fabrikant beschikt over een ENEC-certificaat van een instelling die binnen het ENEC-systeem correct is geautoriseerd, maar waarbij het certificaat niet onder accreditatie is afgegeven, ligt een verduidelijkingsvraag in de Nota van Inlichtingen voor de hand:

“Kunt u toelichten waarom accreditatie wordt vereist, terwijl binnen het ENEC-systeem certificatie door geautoriseerde instellingen formeel geldig is? Worden ENEC-certificaten van geautoriseerde instellingen eveneens geaccepteerd?”

Dat is een inhoudelijk logische vraag.

Niet omdat het certificaat minder geldig zou zijn, maar omdat de eis mogelijk meer uitsluit dan inhoudelijk bedoeld is.

Situatie 2: het certificaat komt van een geaccrediteerde instelling

Wanneer een fabrikant beschikt over een ENEC-certificaat dat wel onder accreditatie is afgegeven, ligt een andere vraag voor de hand:

“Kunt u bevestigen dat uitsluitend ENEC-certificaten worden geaccepteerd die zijn afgegeven onder accreditatie?”

Ook dat is relevant.

Want als accreditatie expliciet wordt geëist, betekent dit dat slechts certificaten van een beperkt aantal instellingen aan de eis voldoen.

Waarom deze verduidelijking noodzakelijk is

De beantwoording bepaalt direct hoe later moet worden beoordeeld.

Er zijn dan twee mogelijke uitkomsten.

De eis blijft geaccrediteerd

Dan moet ook worden gecontroleerd of degene aan wie gegund wordt daadwerkelijk een certificaat heeft van een instelling die voor ENEC-certificatie binnen scope geaccrediteerd is.

De term ENEC alleen is daarvoor onvoldoende.

De formele status moet controleerbaar overeenkomen met de gestelde eis.

De eis wordt verruimd naar geautoriseerd

Dan ontstaat een breder speelveld.

Meer fabrikanten kunnen inschrijven met formeel geldige ENEC-certificaten.

Dat sluit beter aan bij de systematiek van het certificatieschema zelf.

De kern van het probleem

Veel discussies ontstaan niet door de inhoud van certificaten, maar door de formulering van eisen.

Een enkel woord — geaccrediteerd of geautoriseerd — bepaalt dan:

  • welke certificaten geldig zijn
  • hoeveel marktpartijen kunnen deelnemen
  • en welke controle juridisch houdbaar is

Juist daarom verdient correcte terminologie meer aandacht dan zij in de praktijk vaak krijgt.

Conclusie

Certificatie, accreditatie en autorisatie beschrijven verschillende niveaus van formele bevoegdheid.

Certificatie is het eindresultaat.

Accreditatie bevestigt formele bekwaamheid binnen een afgebakende scope.

Autorisatie geeft systeemgebonden bevoegdheid.

Wie deze begrippen zorgvuldig gebruikt, voorkomt dat certificaten meer of minder betekenis krijgen dan formeel gerechtvaardigd is.

En juist daar ontstaat in de praktijk vaak het verschil tussen een bewijsstuk dat direct duidelijkheid geeft en een document dat discussie oproept.

Digitale handleidingen krijgen meer ruimte in de wetgeving: minder papier, minder logistieke belasting

Een einde aan standaard papieren handleidingen en installatie-instructies komt dichterbij. Digitale handleidingen krijgen in nieuwe Europese wetgeving meer ruimte, waardoor informatie die vandaag nog standaard fysiek moet worden meegeleverd in meer gevallen digitaal beschikbaar kan worden gesteld.

Voor bedrijven die producten onder eigen naam op de markt brengen, betekent dat vooral minder fysieke documentstromen. Niet omdat minder informatie nodig wordt, maar omdat dezelfde gebruiksinformatie niet langer automatisch met iedere levering fysiek hoeft mee te bewegen.

Dat heeft niet alleen logistieke voordelen, maar ook milieueffecten.

Waarom papieren handleidingen logistiek steeds minder logisch zijn

Minder papieren inserts betekent minder drukwerk, minder verpakkingsvolume en minder documentatie die bij revisies voortijdig moet worden afgevoerd omdat een versie niet meer actueel is. Vooral bij grote series en internationale distributie kan dat op jaarbasis een merkbaar verschil maken.

Vooral bij producten die in meerdere landen worden geleverd, leidt dat vandaag nog tot grote hoeveelheden meertalige documentatie die inhoudelijk vaak beperkt verschilt, maar bij iedere wijziging opnieuw gekoppeld moet worden aan verpakking, voorraad en productseries. Bij armaturen gaat het daarbij vaak om veiligheidsinformatie en installatie-instructies in een groot aantal taalversies, terwijl de technische kerninhoud beperkt verandert.

Juist daar zit voor veel bedrijven de praktische winst. Niet omdat minder informatie nodig wordt, maar omdat dezelfde informatie niet langer fysiek door de logistieke keten hoeft mee te bewegen.

Digitale beschikbaarheid maakt dat proces flexibeler. De inhoudelijke verplichting blijft bestaan, maar de verspreiding wordt eenvoudiger organiseerbaar.

Veel organisaties werken intern al lang op die manier. Handleidingen, technische fiches en aanvullende productinformatie worden centraal digitaal beheerd en via QR-code of downloadpagina ontsloten.

De wetgeving liep daar tot nu toe niet in mee, met name wanneer het ging om essentiële veiligheidsinformatie.

Daar komt nu verandering in.

Wat de nieuwe Europese wetgeving verandert

De Europese Commissie heeft voorstellen gepubliceerd onder:

COM(2025) 503 final en COM(2025) 502 final

De kern daarvan is dat informatieverplichtingen in meer gevallen digitaal mogen worden ingevuld.

Papier verdwijnt niet volledig

Papier verdwijnt daarbij niet volledig. In de huidige parlementaire behandeling blijft voorzien dat gebruikers papieren informatie kunnen opvragen, maar voor bedrijven verschuift papier wel duidelijk van standaardlevering naar uitzonderingsroute.

Voor de dagelijkse praktijk is dat verschil groot.

Want juist bij productrevisies, taalupdates en kleine veiligheidsaanpassingen ontstaat nu vaak logistieke druk doordat fysieke documentatie moet worden aangepast terwijl de digitale versie intern al beschikbaar is.

De belangrijkste operationele voordelen zijn:

  • minder fysieke koppeling tussen document en product
  • minder risico op verouderde inserts in voorraad
  • eenvoudiger beheer bij productwijzigingen
  • minder papierverbruik

Digitale verstrekking vraagt strakker documentbeheer

Tegelijk vraagt digitale verstrekking meer discipline in documentbeheer.

Niet alleen moet informatie beschikbaar zijn, maar ook aantoonbaar gekoppeld blijven aan het juiste product en de juiste versie.

Dat vraagt aandacht voor:

  • versiebeheer
  • taalbeheer
  • product-specifieke documentstructuur
  • duurzame digitale toegankelijkheid

Een QR-code die later verwijst naar gewijzigde of onvolledige informatie creëert immers direct nieuwe juridische onzekerheid. Dat raakt direct aan dezelfde vraag hoe beheerst CE-conformiteit intern werkelijk is ingericht. (lees ook CE-maturity scan: inzicht vóór verbetering)

Wanneer wordt dit relevant in de praktijk?

De wetgeving is nog niet definitief. De voorstellen bevinden zich nog in de Europese besluitvorming en reële toepassing wordt eerder verwacht in 2027–2028.

Er verandert vandaag dus nog niets aan de formele verplichtingen, maar de richting is duidelijk: de standaard papieren documentstroom verliest stap voor stap zijn vanzelfsprekendheid.

Herstelbaarheid van verlichting en Right to Repair: geen verplichting, wél een bewuste keuze

Sinds de introductie van de Europese “Right to Repair”-richtlijn ontstaat regelmatig de vraag of herstelbaarheid van verlichting nu ook verplicht wordt. Die vraag is begrijpelijk, maar vraagt om een nauwkeurige duiding.

De “Right to Repair”-richtlijn is gericht op een beperkte en expliciet benoemde groep consumentenproducten, zoals wasmachines, vaatwassers, koelkasten en drogers. Het gaat daarbij om productcategorieën die afzonderlijk zijn vastgelegd in uitvoeringsverordeningen. Verlichtingstoestellen inclusief consumentenverlichting vallen daar momenteel niet onder.

Voor openbare verlichting en andere professioneel toegepaste verlichtingssystemen is dat onderscheid extra duidelijk. Deze producten worden aangeschaft en toegepast in een beroepsmatige context en vallen daarmee buiten de reikwijdte van de huidige “Right to Repair”-regelgeving.

Dat betekent dat er op dit moment geen wettelijk afdwingbaar recht op herstel bestaat voor verlichtingstoestellen. Er zijn geen directe consequenties voor CE-markering of bestaande producteisen.

Tegelijkertijd is Europese regelgeving geen statisch gegeven. Discussies over duurzaamheid, levensduur en circulariteit blijven zich ontwikkelen. Vooralsnog blijft “Right to Repair” echter beperkt tot specifiek benoemde productgroepen en niet tot verlichting in het algemeen.

Voor nu geldt dus: herstelbaarheid is geen wettelijke verplichting, maar een bewuste ontwerp- en marktkeuze.

Waarom herstelbaarheid toch steeds vaker onderwerp van gesprek is

Dat herstelbaarheid momenteel niet wettelijk verplicht is, maakt het onderwerp niet vrijblijvend. Integendeel: juist doordat er geen dwingend kader is, komt herstelbaarheid steeds vaker terug in inhoudelijke afwegingen bij ontwerp, inkoop en beheer.

De argumenten zijn herkenbaar:

  • Economisch: componentvervanging kan investeringen spreiden en de technische levensduur verlengen.
  • Milieutechnisch: minder volledige vervanging betekent minder materiaalgebruik en minder afval.
  • Operationeel: onderhoud kan voorspelbaarder worden ingericht en beter aansluiten bij bestaande processen.

Deze voordelen zijn echter geen automatisch gevolg van “herstelbaar ontwerpen”. Ze ontstaan alleen wanneer herstelbaarheid bewust wordt meegenomen in keuzes over constructie, componentopbouw, toegankelijkheid en onderhoudsconcepten.

Herstelbaarheid is daarmee geen label dat je achteraf toekent, maar een ontwerp- en besluitvormingskeuze.

Herstelbaarheid is mogelijk maar zeker niet vanzelfsprekend

In zowel openbare als algemene verlichting bestaan inmiddels technische oplossingen die herstelbaarheid kunnen ondersteunen. Denk aan armaturen waarbij componenten zoals ledmodules of drivers zó zijn opgebouwd dat vervanging mogelijk is zonder dat het volledige armatuur vervangen moet worden.

Die uitwisselbaarheid ontstaat echter niet vanzelf. Ze is het directe gevolg van bewuste keuzes in constructie en componentopbouw: hoe onderdelen zijn bevestigd, hoe toegankelijk ze zijn, welke toleranties zijn toegestaan en in hoeverre vervangende onderdelen daadwerkelijk compatibel zijn.

In de praktijk is dat beeld verre van uniform. Ook binnen de verlichting industrie wordt nog veel gewerkt met productspecifieke constructies, klantspecifieke componentkeuzes en slechts gedeeltelijke uitwisselbaarheid.

In specifieke toepassingen wordt herstelbaarheid technisch ondersteund door modulaire opbouw en gestandaardiseerde componentkeuzes, zoals onder meer beschreven bij de introductie van Zhaga Book 21 en Book 26. Dat neemt echter niet weg dat ook daar bewuste ontwerpkeuzes nodig blijven om herstelbaarheid daadwerkelijk betekenis te geven.

Herstelbaarheid is daarmee geen vaste eigenschap van een productcategorie, maar het resultaat van ontwerpkeuzes die per fabrikant en per toepassing verschillen.

Waarom partijen iets anders bedoelen met “herstelbaar”

In gesprekken over herstelbaarheid valt één patroon steeds opnieuw op: het woord wordt gedeeld, de betekenis niet. Dat leidt zelden tot open conflict, maar wel tot langs elkaar heen praten.

Enkele veelvoorkomende perspectieven:

  • Ontwerpers spreken over herstelbaarheid in termen van maakbaarheid: kan een component worden verwijderd zonder het armatuur te beschadigen?
  • Fabrikanten koppelen herstelbaarheid aan productverantwoordelijkheid: wat betekent ingrijpen voor conformiteit, garantie en aansprakelijkheid?
  • Inkopers en opdrachtgevers gebruiken herstelbaarheid als kwaliteitskenmerk: hoe borg ik dat een investering niet voortijdig hoeft te worden afgeschreven?
  • Beheerders en onderhoudspartijen denken praktisch: kan dit in het veld, met beschikbare onderdelen en binnen bestaande contracten?

Al deze invalshoeken zijn legitiem. Het probleem ontstaat wanneer ze niet expliciet worden gemaakt, maar wél onder één noemer worden samengebracht. Dan ontstaat de situatie waarin iedereen “ja” zegt tegen herstelbaarheid, maar ondertussen iets anders verwacht.

Juist omdat herstelbaarheid geen wettelijke definitie heeft en geen verplichte eis is, ontbreekt vaak een gemeenschappelijk referentiekader. Het gesprek wordt dan pas concreet wanneer er spanning ontstaat: bij onderhoud, bij vervanging of bij de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is.

Herstelbaarheid is dan niet het probleem. Het ontbreekt aan een gedeelde taal om het erover te hebben.

De BRL: geen norm, maar een hulpmiddel om het gesprek te structureren

In die context is de Beoordelingsrichtlijn Herstelbaarheid (BRL) ontstaan. Niet als verplichting, niet als keurmerk en niet als ontwerpinstructie, maar als hulpmiddel om herstelbaarheid bespreekbaar en toetsbaar te maken.

De kracht van de BRL zit niet in het afdwingen van een bepaald ontwerp, maar in het expliciteren van keuzes. Door herstelbaarheid te beoordelen aan de hand van vastgelegde criteria wordt zichtbaar:

  • welke onderdelen herstelbaar zijn ontworpen
  • onder welke voorwaarden vervanging mogelijk is
  • waar grenzen liggen, bijvoorbeeld door constructie, veiligheid of beschikbaarheid van onderdelen

De bijbehorende score-systematiek is daarbij geen doel op zich. Een hoge of lage score zegt op zichzelf weinig. De waarde zit in het gesprek dat ontstaat wanneer een score wordt onderbouwd: waarom is iets wel of niet herstelbaar gemaakt, en past dat bij de beoogde toepassing?

Daarmee functioneert de BRL als een gemeenschappelijk referentiekader. Het helpt om verwachtingen expliciet te maken, zonder herstelbaarheid te verheffen tot absolute eis.

De rol van de BRL als beoordelingskader is eerder uitgebreider uitgewerkt in de context van openbare verlichting, waar herstelbaarheid al langer expliciet wordt meegenomen in ontwerp- en onderhoudsafwegingen.

De context van Future Lighting: herstelbaarheid als gesprek, niet als eis

Tijdens Future Lighting is dit kader bewust zo opgebouwd. Niet om herstelbaarheid te presenteren als nieuwe norm of verplichting, maar om het onderwerp los te trekken uit aannames en terug te brengen naar de kern: waarom willen we dit, en wat betekent dat concreet?

De uitleg begon daarom bij het juridische kader. Door helder te maken dat “Right to Repair” niet van toepassing is op verlichtingstoestellen noch op professionele verlichting, noch op hoogwaardige consumentenverlichting. Zo ontstond ruimte voor een ander gesprek. Geen compliance-discussie, maar een inhoudelijke afweging.

Van daaruit werd herstelbaarheid geplaatst in zijn economische en milieutechnische context. Niet als moreel uitgangspunt, maar als rationele keuze die voordelen kan hebben, mits die keuze expliciet wordt gemaakt.

De introductie van de BRL sloot daar logisch op aan. Niet als oplossing, maar als hulpmiddel om het gesprek te structureren. Door herstelbaarheid te beoordelen en te onderbouwen, wordt zichtbaar waar keuzes zijn gemaakt en waar niet.

De presentatie was daarmee geen pleidooi vóór herstelbaarheid, maar een uitnodiging om er bewust over na te denken.

Herstelbaarheid vraagt geen verplichting, maar wel reflectie

Herstelbaarheid van verlichtingstoestellen is geen vastomlijnd begrip en geen eigenschap die je eenvoudig kunt afdwingen. Het is het resultaat van keuzes in ontwerp, constructie, componentopbouw en onderhoudsstrategie.

Juist omdat herstelbaarheid niet wettelijk is vastgelegd, is het risico groot dat het woord wordt gebruikt zonder dat de onderliggende verwachtingen worden gedeeld. Dan ontstaat verwarring niet omdat het onderwerp ingewikkeld is, maar omdat het gesprek onvoldoende is gekaderd.

Instrumenten zoals de BRL maken dat gesprek concreter. Niet door iets verplicht te stellen, maar door zichtbaar te maken wat wel en niet is gekozen. Dat helpt om herstelbaarheid te plaatsen waar het thuishoort: als onderdeel van een bredere afweging over levensduur, kosten, risico’s en verantwoordelijkheid.

Herstelbaarheid hoeft geen doel op zich te zijn. Maar wie het inzet, doet er goed aan om te weten waarom, in welke mate en met welke consequenties.

Slotopmerking

In de praktijk blijkt dat herstelbaarheid zelden een geïsoleerde vraag is. Het raakt ontwerp, inkoop en beheer tegelijk. Juist op dat snijvlak ontstaat behoefte aan duiding en aan een gedeeld referentiekader. Niet om meer eisen te stellen, maar om betere keuzes te kunnen maken.

RoHS-richtlijn gewijzigd: wat verandert er richting 2027?

De RoHS-richtlijn is recent formeel gewijzigd — en waarschijnlijk heb je daar niets van gemerkt. Dat is logisch: de wijziging treedt pas in 2027 in werking en introduceert geen nieuwe stoffen of producteisen. Het gaat niet om het product, maar om de manier waarop toekomstige RoHS-besluiten tot stand komen.

Deze RoHS-wijziging maakt deel uit van het Europese beleid One Substance, One Assessment en is vastgelegd in Richtlijn (EU) 2025/2456.

Geen wijzigingen in producteisen of documentatie

De inhoud van de RoHS-richtlijn blijft ongewijzigd. Er zijn geen nieuwe stoffen toegevoegd, geen grenswaarden aangescherpt en geen aanvullende verplichtingen geïntroduceerd. Bestaande producten blijven gewoon RoHS-conform. Dit geldt ook voor de CE-markering, de RoHS Declaration of Conformity en de technische documentatie.
De herziening heeft geen gevolgen voor de RoHS Declaration of Conformity: Richtlijn 2011/65/EU blijft de toepasselijke RoHS-wetgeving en bestaande Declarations of Conformity blijven geldig.

Wijziging op bestuurlijk niveau: rol van ECHA

Wat er wél verandert, zit op bestuurlijk niveau. De wetenschappelijke en technische beoordeling van RoHS-vrijstellingen en mogelijke toekomstige stofrestricties wordt ondergebracht bij ECHA, het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen. Dit moet zorgen voor meer consistentie en transparantie in de beoordeling van chemische risico’s binnen EU-wetgeving.

Vaststelling en toepassingsdatum

De wijziging is inmiddels formeel vastgesteld. Richtlijn (EU) 2025/2456 is op 12 december 2025 gepubliceerd in het Official Journal en wijzigt Richtlijn 2011/65/EU. De bepalingen worden toepasbaar vanaf 13 augustus 2027. Tot die datum verandert er niets aan de praktische toepassing van RoHS voor producten die nu op de markt worden gebracht.

Betekenis voor producenten en importeurs

Voor de meeste producenten betekent dit: geen directe actie nodig. Voor bedrijven die afhankelijk zijn van RoHS-vrijstellingen of werken met kritische materiaalkeuzes is de impact indirect, maar relevant. Naar verwachting zal bij toekomstige vrijstellingen meer nadruk komen te liggen op chemische risicoanalyse en minder op markt- of beschikbaarheidsargumenten.

Daarnaast is vastgelegd dat de lijst met beperkte stoffen binnen de RoHS-richtlijn minimaal elke vijf jaar wordt herzien. Dit vergroot de voorspelbaarheid, maar vraagt ook om een meer proactieve benadering van materiaalkeuzes en productontwikkeling.

Kortom: geen productimpact op korte termijn, wel een structurele wijziging in hoe RoHS-compliance in de toekomst wordt beoordeeld.