Categorie: Regulering(CE)

Digitale handleidingen krijgen meer ruimte in de wetgeving: minder papier, minder logistieke belasting

Een einde aan standaard papieren handleidingen en installatie-instructies komt dichterbij. Digitale handleidingen krijgen in nieuwe Europese wetgeving meer ruimte, waardoor informatie die vandaag nog standaard fysiek moet worden meegeleverd in meer gevallen digitaal beschikbaar kan worden gesteld.

Voor bedrijven die producten onder eigen naam op de markt brengen, betekent dat vooral minder fysieke documentstromen. Niet omdat minder informatie nodig wordt, maar omdat dezelfde gebruiksinformatie niet langer automatisch met iedere levering fysiek hoeft mee te bewegen.

Dat heeft niet alleen logistieke voordelen, maar ook milieueffecten.

Waarom papieren handleidingen logistiek steeds minder logisch zijn

Minder papieren inserts betekent minder drukwerk, minder verpakkingsvolume en minder documentatie die bij revisies voortijdig moet worden afgevoerd omdat een versie niet meer actueel is. Vooral bij grote series en internationale distributie kan dat op jaarbasis een merkbaar verschil maken.

Vooral bij producten die in meerdere landen worden geleverd, leidt dat vandaag nog tot grote hoeveelheden meertalige documentatie die inhoudelijk vaak beperkt verschilt, maar bij iedere wijziging opnieuw gekoppeld moet worden aan verpakking, voorraad en productseries. Bij armaturen gaat het daarbij vaak om veiligheidsinformatie en installatie-instructies in een groot aantal taalversies, terwijl de technische kerninhoud beperkt verandert.

Juist daar zit voor veel bedrijven de praktische winst. Niet omdat minder informatie nodig wordt, maar omdat dezelfde informatie niet langer fysiek door de logistieke keten hoeft mee te bewegen.

Digitale beschikbaarheid maakt dat proces flexibeler. De inhoudelijke verplichting blijft bestaan, maar de verspreiding wordt eenvoudiger organiseerbaar.

Veel organisaties werken intern al lang op die manier. Handleidingen, technische fiches en aanvullende productinformatie worden centraal digitaal beheerd en via QR-code of downloadpagina ontsloten.

De wetgeving liep daar tot nu toe niet in mee, met name wanneer het ging om essentiële veiligheidsinformatie.

Daar komt nu verandering in.

Wat de nieuwe Europese wetgeving verandert

De Europese Commissie heeft voorstellen gepubliceerd onder:

COM(2025) 503 final en COM(2025) 502 final

De kern daarvan is dat informatieverplichtingen in meer gevallen digitaal mogen worden ingevuld.

Papier verdwijnt niet volledig

Papier verdwijnt daarbij niet volledig. In de huidige parlementaire behandeling blijft voorzien dat gebruikers papieren informatie kunnen opvragen, maar voor bedrijven verschuift papier wel duidelijk van standaardlevering naar uitzonderingsroute.

Voor de dagelijkse praktijk is dat verschil groot.

Want juist bij productrevisies, taalupdates en kleine veiligheidsaanpassingen ontstaat nu vaak logistieke druk doordat fysieke documentatie moet worden aangepast terwijl de digitale versie intern al beschikbaar is.

De belangrijkste operationele voordelen zijn:

  • minder fysieke koppeling tussen document en product
  • minder risico op verouderde inserts in voorraad
  • eenvoudiger beheer bij productwijzigingen
  • minder papierverbruik

Digitale verstrekking vraagt strakker documentbeheer

Tegelijk vraagt digitale verstrekking meer discipline in documentbeheer.

Niet alleen moet informatie beschikbaar zijn, maar ook aantoonbaar gekoppeld blijven aan het juiste product en de juiste versie.

Dat vraagt aandacht voor:

  • versiebeheer
  • taalbeheer
  • product-specifieke documentstructuur
  • duurzame digitale toegankelijkheid

Een QR-code die later verwijst naar gewijzigde of onvolledige informatie creëert immers direct nieuwe juridische onzekerheid. Dat raakt direct aan dezelfde vraag hoe beheerst CE-conformiteit intern werkelijk is ingericht. (lees ook CE-maturity scan: inzicht vóór verbetering)

Wanneer wordt dit relevant in de praktijk?

De wetgeving is nog niet definitief. De voorstellen bevinden zich nog in de Europese besluitvorming en reële toepassing wordt eerder verwacht in 2027–2028.

Er verandert vandaag dus nog niets aan de formele verplichtingen, maar de richting is duidelijk: de standaard papieren documentstroom verliest stap voor stap zijn vanzelfsprekendheid.

Herstelbaarheid van verlichting en Right to Repair: geen verplichting, wél een bewuste keuze

Sinds de introductie van de Europese “Right to Repair”-richtlijn ontstaat regelmatig de vraag of herstelbaarheid van verlichting nu ook verplicht wordt. Die vraag is begrijpelijk, maar vraagt om een nauwkeurige duiding.

De “Right to Repair”-richtlijn is gericht op een beperkte en expliciet benoemde groep consumentenproducten, zoals wasmachines, vaatwassers, koelkasten en drogers. Het gaat daarbij om productcategorieën die afzonderlijk zijn vastgelegd in uitvoeringsverordeningen. Verlichtingstoestellen inclusief consumentenverlichting vallen daar momenteel niet onder.

Voor openbare verlichting en andere professioneel toegepaste verlichtingssystemen is dat onderscheid extra duidelijk. Deze producten worden aangeschaft en toegepast in een beroepsmatige context en vallen daarmee buiten de reikwijdte van de huidige “Right to Repair”-regelgeving.

Dat betekent dat er op dit moment geen wettelijk afdwingbaar recht op herstel bestaat voor verlichtingstoestellen. Er zijn geen directe consequenties voor CE-markering of bestaande producteisen.

Tegelijkertijd is Europese regelgeving geen statisch gegeven. Discussies over duurzaamheid, levensduur en circulariteit blijven zich ontwikkelen. Vooralsnog blijft “Right to Repair” echter beperkt tot specifiek benoemde productgroepen en niet tot verlichting in het algemeen.

Voor nu geldt dus: herstelbaarheid is geen wettelijke verplichting, maar een bewuste ontwerp- en marktkeuze.

Waarom herstelbaarheid toch steeds vaker onderwerp van gesprek is

Dat herstelbaarheid momenteel niet wettelijk verplicht is, maakt het onderwerp niet vrijblijvend. Integendeel: juist doordat er geen dwingend kader is, komt herstelbaarheid steeds vaker terug in inhoudelijke afwegingen bij ontwerp, inkoop en beheer.

De argumenten zijn herkenbaar:

  • Economisch: componentvervanging kan investeringen spreiden en de technische levensduur verlengen.
  • Milieutechnisch: minder volledige vervanging betekent minder materiaalgebruik en minder afval.
  • Operationeel: onderhoud kan voorspelbaarder worden ingericht en beter aansluiten bij bestaande processen.

Deze voordelen zijn echter geen automatisch gevolg van “herstelbaar ontwerpen”. Ze ontstaan alleen wanneer herstelbaarheid bewust wordt meegenomen in keuzes over constructie, componentopbouw, toegankelijkheid en onderhoudsconcepten.

Herstelbaarheid is daarmee geen label dat je achteraf toekent, maar een ontwerp- en besluitvormingskeuze.

Herstelbaarheid is mogelijk maar zeker niet vanzelfsprekend

In zowel openbare als algemene verlichting bestaan inmiddels technische oplossingen die herstelbaarheid kunnen ondersteunen. Denk aan armaturen waarbij componenten zoals ledmodules of drivers zó zijn opgebouwd dat vervanging mogelijk is zonder dat het volledige armatuur vervangen moet worden.

Die uitwisselbaarheid ontstaat echter niet vanzelf. Ze is het directe gevolg van bewuste keuzes in constructie en componentopbouw: hoe onderdelen zijn bevestigd, hoe toegankelijk ze zijn, welke toleranties zijn toegestaan en in hoeverre vervangende onderdelen daadwerkelijk compatibel zijn.

In de praktijk is dat beeld verre van uniform. Ook binnen de verlichting industrie wordt nog veel gewerkt met productspecifieke constructies, klantspecifieke componentkeuzes en slechts gedeeltelijke uitwisselbaarheid.

In specifieke toepassingen wordt herstelbaarheid technisch ondersteund door modulaire opbouw en gestandaardiseerde componentkeuzes, zoals onder meer beschreven bij de introductie van Zhaga Book 21 en Book 26. Dat neemt echter niet weg dat ook daar bewuste ontwerpkeuzes nodig blijven om herstelbaarheid daadwerkelijk betekenis te geven.

Herstelbaarheid is daarmee geen vaste eigenschap van een productcategorie, maar het resultaat van ontwerpkeuzes die per fabrikant en per toepassing verschillen.

Waarom partijen iets anders bedoelen met “herstelbaar”

In gesprekken over herstelbaarheid valt één patroon steeds opnieuw op: het woord wordt gedeeld, de betekenis niet. Dat leidt zelden tot open conflict, maar wel tot langs elkaar heen praten.

Enkele veelvoorkomende perspectieven:

  • Ontwerpers spreken over herstelbaarheid in termen van maakbaarheid: kan een component worden verwijderd zonder het armatuur te beschadigen?
  • Fabrikanten koppelen herstelbaarheid aan productverantwoordelijkheid: wat betekent ingrijpen voor conformiteit, garantie en aansprakelijkheid?
  • Inkopers en opdrachtgevers gebruiken herstelbaarheid als kwaliteitskenmerk: hoe borg ik dat een investering niet voortijdig hoeft te worden afgeschreven?
  • Beheerders en onderhoudspartijen denken praktisch: kan dit in het veld, met beschikbare onderdelen en binnen bestaande contracten?

Al deze invalshoeken zijn legitiem. Het probleem ontstaat wanneer ze niet expliciet worden gemaakt, maar wél onder één noemer worden samengebracht. Dan ontstaat de situatie waarin iedereen “ja” zegt tegen herstelbaarheid, maar ondertussen iets anders verwacht.

Juist omdat herstelbaarheid geen wettelijke definitie heeft en geen verplichte eis is, ontbreekt vaak een gemeenschappelijk referentiekader. Het gesprek wordt dan pas concreet wanneer er spanning ontstaat: bij onderhoud, bij vervanging of bij de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is.

Herstelbaarheid is dan niet het probleem. Het ontbreekt aan een gedeelde taal om het erover te hebben.

De BRL: geen norm, maar een hulpmiddel om het gesprek te structureren

In die context is de Beoordelingsrichtlijn Herstelbaarheid (BRL) ontstaan. Niet als verplichting, niet als keurmerk en niet als ontwerpinstructie, maar als hulpmiddel om herstelbaarheid bespreekbaar en toetsbaar te maken.

De kracht van de BRL zit niet in het afdwingen van een bepaald ontwerp, maar in het expliciteren van keuzes. Door herstelbaarheid te beoordelen aan de hand van vastgelegde criteria wordt zichtbaar:

  • welke onderdelen herstelbaar zijn ontworpen
  • onder welke voorwaarden vervanging mogelijk is
  • waar grenzen liggen, bijvoorbeeld door constructie, veiligheid of beschikbaarheid van onderdelen

De bijbehorende score-systematiek is daarbij geen doel op zich. Een hoge of lage score zegt op zichzelf weinig. De waarde zit in het gesprek dat ontstaat wanneer een score wordt onderbouwd: waarom is iets wel of niet herstelbaar gemaakt, en past dat bij de beoogde toepassing?

Daarmee functioneert de BRL als een gemeenschappelijk referentiekader. Het helpt om verwachtingen expliciet te maken, zonder herstelbaarheid te verheffen tot absolute eis.

De rol van de BRL als beoordelingskader is eerder uitgebreider uitgewerkt in de context van openbare verlichting, waar herstelbaarheid al langer expliciet wordt meegenomen in ontwerp- en onderhoudsafwegingen.

De context van Future Lighting: herstelbaarheid als gesprek, niet als eis

Tijdens Future Lighting is dit kader bewust zo opgebouwd. Niet om herstelbaarheid te presenteren als nieuwe norm of verplichting, maar om het onderwerp los te trekken uit aannames en terug te brengen naar de kern: waarom willen we dit, en wat betekent dat concreet?

De uitleg begon daarom bij het juridische kader. Door helder te maken dat “Right to Repair” niet van toepassing is op verlichtingstoestellen noch op professionele verlichting, noch op hoogwaardige consumentenverlichting. Zo ontstond ruimte voor een ander gesprek. Geen compliance-discussie, maar een inhoudelijke afweging.

Van daaruit werd herstelbaarheid geplaatst in zijn economische en milieutechnische context. Niet als moreel uitgangspunt, maar als rationele keuze die voordelen kan hebben, mits die keuze expliciet wordt gemaakt.

De introductie van de BRL sloot daar logisch op aan. Niet als oplossing, maar als hulpmiddel om het gesprek te structureren. Door herstelbaarheid te beoordelen en te onderbouwen, wordt zichtbaar waar keuzes zijn gemaakt en waar niet.

De presentatie was daarmee geen pleidooi vóór herstelbaarheid, maar een uitnodiging om er bewust over na te denken.

Herstelbaarheid vraagt geen verplichting, maar wel reflectie

Herstelbaarheid van verlichtingstoestellen is geen vastomlijnd begrip en geen eigenschap die je eenvoudig kunt afdwingen. Het is het resultaat van keuzes in ontwerp, constructie, componentopbouw en onderhoudsstrategie.

Juist omdat herstelbaarheid niet wettelijk is vastgelegd, is het risico groot dat het woord wordt gebruikt zonder dat de onderliggende verwachtingen worden gedeeld. Dan ontstaat verwarring niet omdat het onderwerp ingewikkeld is, maar omdat het gesprek onvoldoende is gekaderd.

Instrumenten zoals de BRL maken dat gesprek concreter. Niet door iets verplicht te stellen, maar door zichtbaar te maken wat wel en niet is gekozen. Dat helpt om herstelbaarheid te plaatsen waar het thuishoort: als onderdeel van een bredere afweging over levensduur, kosten, risico’s en verantwoordelijkheid.

Herstelbaarheid hoeft geen doel op zich te zijn. Maar wie het inzet, doet er goed aan om te weten waarom, in welke mate en met welke consequenties.

Slotopmerking

In de praktijk blijkt dat herstelbaarheid zelden een geïsoleerde vraag is. Het raakt ontwerp, inkoop en beheer tegelijk. Juist op dat snijvlak ontstaat behoefte aan duiding en aan een gedeeld referentiekader. Niet om meer eisen te stellen, maar om betere keuzes te kunnen maken.

RoHS-richtlijn gewijzigd: wat verandert er richting 2027?

De RoHS-richtlijn is recent formeel gewijzigd — en waarschijnlijk heb je daar niets van gemerkt. Dat is logisch: de wijziging treedt pas in 2027 in werking en introduceert geen nieuwe stoffen of producteisen. Het gaat niet om het product, maar om de manier waarop toekomstige RoHS-besluiten tot stand komen.

Deze RoHS-wijziging maakt deel uit van het Europese beleid One Substance, One Assessment en is vastgelegd in Richtlijn (EU) 2025/2456.

Geen wijzigingen in producteisen of documentatie

De inhoud van de RoHS-richtlijn blijft ongewijzigd. Er zijn geen nieuwe stoffen toegevoegd, geen grenswaarden aangescherpt en geen aanvullende verplichtingen geïntroduceerd. Bestaande producten blijven gewoon RoHS-conform. Dit geldt ook voor de CE-markering, de RoHS Declaration of Conformity en de technische documentatie.
De herziening heeft geen gevolgen voor de RoHS Declaration of Conformity: Richtlijn 2011/65/EU blijft de toepasselijke RoHS-wetgeving en bestaande Declarations of Conformity blijven geldig.

Wijziging op bestuurlijk niveau: rol van ECHA

Wat er wél verandert, zit op bestuurlijk niveau. De wetenschappelijke en technische beoordeling van RoHS-vrijstellingen en mogelijke toekomstige stofrestricties wordt ondergebracht bij ECHA, het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen. Dit moet zorgen voor meer consistentie en transparantie in de beoordeling van chemische risico’s binnen EU-wetgeving.

Vaststelling en toepassingsdatum

De wijziging is inmiddels formeel vastgesteld. Richtlijn (EU) 2025/2456 is op 12 december 2025 gepubliceerd in het Official Journal en wijzigt Richtlijn 2011/65/EU. De bepalingen worden toepasbaar vanaf 13 augustus 2027. Tot die datum verandert er niets aan de praktische toepassing van RoHS voor producten die nu op de markt worden gebracht.

Betekenis voor producenten en importeurs

Voor de meeste producenten betekent dit: geen directe actie nodig. Voor bedrijven die afhankelijk zijn van RoHS-vrijstellingen of werken met kritische materiaalkeuzes is de impact indirect, maar relevant. Naar verwachting zal bij toekomstige vrijstellingen meer nadruk komen te liggen op chemische risicoanalyse en minder op markt- of beschikbaarheidsargumenten.

Daarnaast is vastgelegd dat de lijst met beperkte stoffen binnen de RoHS-richtlijn minimaal elke vijf jaar wordt herzien. Dit vergroot de voorspelbaarheid, maar vraagt ook om een meer proactieve benadering van materiaalkeuzes en productontwikkeling.

Kortom: geen productimpact op korte termijn, wel een structurele wijziging in hoe RoHS-compliance in de toekomst wordt beoordeeld.

Productveiligheid openbare verlichting onder de loep: Praktische tips voor inkopers.

Productveiligheid in de openbare verlichting krijgt nog te weinig aandacht, terwijl de risico’s groot kunnen zijn. Uit de OVL-monitor 2024 blijkt dat slechts 57% van de overheden vindt dat de veiligheid goed op orde is. In dit artikel ontdek je waarom CE-markering geen garantie is, welke misvattingen er spelen en welke vier concrete stappen inkopers kunnen zetten om productveiligheid wél te borgen in hun aanbestedingen.